Comenianen omarmen

Verwondering over het gewone is de drijvende kracht achter de prachtig beschouwende poëzie van de Poolse dichter Wislawa Szymborska. Onze dagelijkse taal en leefwereld worden echter juist gedragen door wat we met elkaar als vanzelfsprekend aannemen, het is onze gewone wereld. We zouden er gek van worden wanneer we alles in twijfel zouden trekken. Dus twijfelen we gewoonlijk niet aan wat we bedoelen wanneer we om ‘een kilo appels’ vragen op de markt (we zouden wél verbaasd opkijken als we opeens vijf peren zouden krijgen). Toch is het de vraag of het alléén de taak van dichters is om het gewone te onderzoeken

Het begin der wijsbegeerte is verwondering
– Plato –

 

‘In de taal van het dagelijks leven gebruiken we inderdaad uitdrukkingen als “gewone wereld”,
“het gewone leven”, “de gewone gang van zaken”. In de taal van de poëzie daarentegen,
waarin elk woord gewogen wordt, is niets gewoon, is niets normaal.
Geen steen en geen wolk boven een steen. Geen dag en geen nacht na een dag.
En boven alles niemands bestaan op deze aarde. – Het ziet ernaar uit dat de dichters
altijd veel te doen zullen hebben.
Uit: De dichter en de wereld (1996), Wislawa Szymborska

 

Niets is vanzelfsprekend

Ook in socratische gesprekken staat twijfel voorop. Voor Socrates was niets vanzelfsprekend. Hij ging de markt op om burgers (mannen in die tijd) te bevragen. Met zijn voortdurende houding van ‘niet weten’ zette Socrates zijn gesprekspartners aan tot zelfonderzoek. Door te vragen om verheldering (Hè? Wat bedoel je precies?) of door te toetsen of iets wel klopte (Huh? Waarop baseer je dat?) drong Socrates aan op verwondering. In alle Comenius­ leergangen wordt geoefend in het stellen van deze vragen. Het vormt de basis voor een open, onderzoekende houding.

De kunst van het verwonderen

Anders dan Socrates en Szymborska die zich buitengewoon verwonderden, leven wij zoals gezegd over het algemeen met een grote mate van vanzelfsprekendheid die ons het leven gemakkelijk, begrijpelijk en vertrouwd maakt. We gebruiken gewoonlijk woorden zonder erbij na te denken (‘Mag ik het zout?’) en we weten normaal gesproken ons (sociale) gedrag af te stemmen op de situatie (denk aan de begroeting van een vriend of collega die binnenkomt). Twijfel zou dat alles behoorlijk verstoren. Toch is het de moeite waard om je in een wereld vol vanzelfsprekendheden te blijven (oefenen in) de kunst van het verwonderen.

Taalfilosofie

De 20ste eeuwse taalfilosoof Wittgenstein wierp zijn licht op ons gewone taalgebruik. Niet om te (over) analyseren hoe we dingen zeggen en doen, maar om het te beschrijven. Kijken we vervolgens naar die beschrijvingen – taalspelen genoemd – dan zien we of en zo ja, hoe vanzelfsprekend ze zijn. Volgens Wittgenstein ligt namelijk ‘alles open en bloot voor ons.’

Kijk maar mee: Het is vanzelfsprekend om in de context van een supermarkt te spreken over producten die je kunt pakken uit schappen (je kunt producten pakken en per ongeluk laten vallen). In dezelfde context is het veel minder vanzelfsprekend om als bruid een jurk te gaan passen. Het is normaal om te denken en verwachten dat iemand een jas aan doet wanneer hij in de vrieskou naar buiten gaat voor een lange wandeling, dat wordt anders wanneer hij alleen maar even de vuilnis buiten zet. Het kan goed zijn dat er rekening gehouden wordt met protesten tegen voorgenomen bezuinigingen in het hoger onderwijs, maar het is niet vanzelfsprekend dat er geprotesteerd wordt tegen de wind die bloesemblaadjes van een boom blaast.

Het resultaat van de niet zo vanzelfsprekende beschrijvingen is ‘de ontmaskering van allerlei platvloerse onzin en een aantal builen, die het verstand heeft opgelopen toen het tegen de grenzen van de taal aanrende.’ Dit is een belangrijk punt: De taal die we tot onze beschikking hebben om datgene dat voor ons vanzelfsprekend is uit te drukken is dezelfde taal die ons de mist in kan sturen. We moeten dus goed kijken om te zien of we niet (zijn) vast(ge)lopen. Ga maar na of je vanzelfsprekende (vol)zinnen kunt schrijven of spreken over leiderschap en democratie. Weet je met helderheid waar je het over hebt en kun je dat onderbouwen, of verdwaal je in de mist?

Volgens Wittgenstein heeft een filosofisch probleem de vorm ‘ik weet de weg niet’. Socrates’ vragen zijn precies hierop gericht: Wanneer je niet kunt toelichten wat je bedoelt (hè?) of je onderbouwing stokt (huh?) is de vanzelfsprekendheid weggevallen, dan ben je de weg krijtgeraakt en wordt alles wat je verder zegt of doet mistig. Dit voorkomen vraagt om oefening in verwondering!

 

1. Van Tongeren, Leven is een kunst; over morele ervaring, deugdethiek en levenskunst, 2012 Uitgeverij Klement, p 45-46, Van Tongeren spreekt
over verhelderings- en toetsings-vragen. E. Boers (philosopher in residence, Comenius Leergangen) typeert deze vraag net anders: in
termen van ‘he?’ (vraagt naar de betekenis) en ‘huh?’ (vraagt naar de geldigheid).
2. L. Wittgenstein, Filosofische Onderzoekingen, 1976 (1953) Boom, par. 124
3. (idem), par. 126
4. Bedenk je in welke bochten je je moet wringen om toch met enige rede te protesteren tegen de wind of om aannemelijk te maken dat je wel
een bruidsjurk gaat passen in de supermarkt. Wat vraagt dat van taal, van ons en de wereld?
5. L. Wittgenstein, par. 119
6. (idem), par. 123

 

Biografie

Jacobien van Dorp (41) studeerde filosofie en rechten aan de Universiteit van Amsterdam. Ze deed onderzoek naar de aard van betekenisvolle communicatie van Europese rechters en promoveerde in 2015 aan het European University Institute in Florence (Italië). Sindsdien werkte ze als rechts­ filosoof aan de Universiteit Utrecht, begeleidt ze socratische gesprekken met basisschoolkinderen, buurtgenoten en toezichthouders en is ze programmamaker en moderator voor Comenius leadership.